Albrecht Rodenbach (1856 1880)
Het episch gedicht 'Fierheid' van Albrecht Rodenbach is een klassieker. Generaties Vlamingen hebben het bij allerlei gelegenheden gedeclameerd waarbij dan de laatste versregel met een snik in de stem werd uitgegalmd. Zo doen we het nu niet meer maar om toch nog enigszins tegemoet te komen aan de historische betekenis en de tijdgeest van het gedicht, mag een beetje pathos niet ontbreken vind ik.
Het stuk is gebaseerd op een historische gebeurtenis: de Vrede van Doornik, een overeenkomst gesloten op 18 december 1385 tussen de Bourgondische hertog Filips de Stoute en het opstandige Gent. Rodenbach, die verging van heimwee naar het grootse Vlaamse verleden, beschreef die gebeurtenis op een manier die paste in de toenmalige romantische tijdgeest. Het is niet onbelangrijk te vermelden dat Filips de Stoute gehuwd was met Margareta van Male, dochter van Lodewijk van Male, de Graaf van Vlaanderen. Margareta speelt een bepalende rol in het gedicht enkel en alleen omdat zij een Vlaamse was, genoeg voor Rodenbach om haar te verheerlijken. Nog ter verduidelijking: Rodenbach noemt Filips de Stoute afwisselend hertog en graaf. Dat komt omdat Filips hertog van Bourgondië was maar ook graaf van Vlaanderen door zijn huwelijk met Margareta.
FIERHEID
Sinds lang bevocht de grave Gent de vrije stede,
en grave en Gentenaars verlangden naar de vrede;
men staakte moord en brand, en op een zeekren dag,
ter vrije vreê gereed en eerelijk verdrag,
reên Gentenaars, gemanteld en in 't goud geregen,
den hertog-graaf Filip aldoor de velden tegen.
't Klaroen schelt in de verte en Gents gezanten staan.
Te midden stuivend stof naârt statig langs de baan
de trotsche grave en rond hem, prachtig om te aanschouwen,
de bonte stoet der heeren en der eedle vrouwen.
De Gentsche poorters, fier en hunner stede weerd,
begroetten heusch den stoet, maar bleven op hun peerd.
En prachtig reed de schare binnen Doorniks wallen,
en spreidde bont en weemlend door de wijde hallen
rondom den gouden zetel waar met trotschen zin
ging tronen d'hertog met der lieve gemalin.
De Gentsche poorters kwamen, en een hunner zeide,
daar hij, met hoofschen groet, een handschrift openleide:
"Heer grave, vrouw gravin, u groet uw goede steê,
en biedt u, zoo 't u mag gelieven, deze vreê,"
en las het pergament. De grave in korte rede
zei alles was hem wel en dat hij schonk de vrede.
"Maar," voegde hij er bij, "daar ge ongehoorzaam en
weêrspannig zijt geweest mij die uw heere ben,
zoo zult gij knielen om de vrede die 'k belove."
Die grave was een waal gekweekt ten franschen hove.
De Gentenaars en roerden niet, en eenen stond
was alles stille en zweeg verwachtend in het rond.
"Heer graaf," zei een gezant, "geen een van ons wil knielen."
Filip, vrij spreken ongewend en vrije zielen,
schoot uit en riep: "Dan krijgt gij mijne vrede ook niet!"
Zijn Vlaamsche gemalin een zucht ontsnappen liet
en keek, half wondrend, half bedrukt, naar de gezanten.
De hovelingen wezen hun van alle kanten
dat zij op staanden voet den knieval zouden doen:
want d'hertog beefde er bij. Maar kalm, gerust en koen,
de Gentsche poorters spraken hem in korte rede:
"Heer grave, geef bescheid! Wat melden wij der stede?"
De hovelingen morden grimmig: "Ongehoord."
De hertoginne keek bedrukt en sprak geen woord.
Filip schoot woedend uit, verweet den Gentenaren,
al wat men in Parijs van Vlaandren wist te maren,
verweet hun hooveerdij en wederspannigheid,
maar bovenal dier ijzren koppen koppigheid,
en: "Laat ons proeven wie van ons zal koppigst blijven,"
riep hij, "of neen, hoe ver ge uw koppigheid zult drijven!
Den knieval of den oorlog onverbiddelijk!
-- 't Waar':" knieval of de dood, "ons antwoord bleef gelijk."
Het antwoord hong ter lip, maar de eedle gravenede
zeeg bij Filip ten gronde en zuchtte smeekend: "Vrede."
Filip keek neder en het zoete wezen zag
dat smeekend, bijna weenend, hem te voete lag,
en voelde liefde en woede worstlen in zijn ziele.
"Sta op," sprak hij bewogen, maar zijne oogen vielen
op 't kalm gelaat der Gentsche poorters daar voor hem.
en schoten schichten. Maar weêr bevend klonk de stem
der lieve teedre vrouw die zuchtte en smeekte: "Vrede!"
Filip en kon niet meer. "O trotsche trotsche stede."
sprak hij, "gaat aan, en dankt uw vreê mijn gemalin."
En groetend hoofsch hun grave en dankbaar hun gravin,
gerust en kalm vertrokken de eedle Gentenaren.
Helaas, waar is der Oudren fierheid nu gevaren!
@rayvanangeltjes
Nee, dat kan ik niet zeggen. Die recitator wenst in alle anonimiteit zijn bescheiden bijdrage te leveren.
metrisch 1 year ago