Ik ga naar bed nog enkel om te dromen,
niet van een hemeltuin dien ik niet ken,
maar van de tijd dat ik gelukkig ben
geweest in 't huis onder de notebomen.
Dan gaat voor mij de ware wereld open,
waar alles echt is, alles licht van toon,
geen paradijs met pauwe' en antilopen,
maar, klein en doodeenvoudig en gewoon,
een tuin, zoals De Braekeleer heeft geschilderd,
met sneeuw van lelies en papavervuur,
en lilastruiken druipend en verwilderd
tegen de lentewolken en 't azuur.
Door 't leven niet mishandeld maar gedeerd,
begrijp ik nu de ziel der kleinste dingen,
nu ruist mij toe gelijk een lieflijk zingen
het schril geluid der schaar die 't grasveld scheert.
Ik zie de spreeuwen in de bomen stoeien,
de zwaluw kweelt onnozel in de goot,
zolang dit lied duurt en hier bloemen bloeien,
zolang die tuin bestaat, ga ik niet dood.
Ik zie daar wat een kind slechts eenmaal ziet:
tegen de voorjaarslucht een regenboog
waaronder, zwart en wit, een ekster vliedt,
en verder dan hij vliedt volgt hem mijn oog.
En in de zomer, als de dagen branden,
komen de aromen van de kruiden vrij
met scherper geuren dan in warme landen,
tijm en lavendel, venkel en karwij.
De maïs en de oranje helianten
zijn er in 't najaar roestig en verkleurd,
terwijl de meest eenzelvige der planten,
de kuise nachtschone, in de avond geurt.
Als jongen droomt een ieder van Parijs,
en ziet een tuin in 't gele licht van Rome;
en ik, verdreven uit mijn paradijs,
het eind nabij, begin eerst nu te dromen.
Link to this comment:
All Comments (0)